Posts tonen met het label De Groene Amsterdammer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Groene Amsterdammer. Alle posts tonen

vrijdag 1 augustus 2014

Schijtlezen once again

De Groene lees ik bijna exclusief op het schijthuis. Ditmaal las ik over de Paus, over Erdogan, en over Freud. Nog was de stront niet geheel uit mijn kont dus las ik door. Een zoveelste stukje over een punkrockband van Leon Verdonkschot dat overigens wel een mooie zin opleverde. Ter inleiding: “We hebben het hier over punk; dan gelden criteria als vernieuwing en innovatie niet.” (Huh? Vernieuwing en innovatie? Ach een tautologie als stijlfiguur zullen we maar denken…) En dan nu de zin: “Hier hoeven geen wielen te worden uitgevonden, hier moeten stenen door ruiten.” Chapeau. Het lekkerst bewaarde ik voor het laatst: de tweewekelijkse column inzake literatuur van Christiaan Weijts. Christiaan Weijts is behalve schrijver en columnist tegenwoordig ook beroepsdeformatie, getuige de volgende zin: “Ik ga me er niet aan wagen, maar zat de afgelopen weken wel, als een beroepsdeformatie, te dagdromen over welk perspectief zo’n boek of film zou moeten hebben.”

vrijdag 18 april 2014

Schijtlezen again

Ik zit op de plee, ik schijt & ik lees de Groene Amsterdammer. Miriam Rasch recenseert de nieuwe essaybundel van Joke J. Hermsen, Kairos: een nieuwe bevlogenheid. Boeiend maar niet heus. Je vraagt je in gemoede af welke oetlul überhaupt zo’n boek koopt. Miriam Rasch verwijt de filosoof een gezellige stijl. Zelf presteert ze het om een accent circonflexe op de e na de m in moment suprême te plaatsen (om over het accent grave op de e na de r nog te zwijgen). Ik wikkel een wc-papiertje om mijn middelvinger en wroet wat in mijn kont om de stront los te kloppen. Blader door naar de laatste pagina waar de grote denker en dichter Maarten Doorman Ester Naomi Perquin is komen aflossen. Timon Hagen heeft een autootje voor hem getekend dat veel uitlaatgassen produceert. Wat Doorman tot de volgende onvergetelijke dichtregels inspireert: “Helaas is autorijden sneu./Voor de chauffeur. En het milieu.” Dank Groene Amsterdammer voor deze immense verrijking van uw blad!

zaterdag 15 februari 2014

Superego

Ik zit op de plee en ik lees… Lof voor een rommelig leven, een stuk over Norman Mailer van Joost de Vries in de Groene Amsterdammer. Midden jaren negentig las ik op instigatie van De Enge Man (William S. Burroughs) Ancient Evenings… na ja, ik las de vertaling: Avonden in de oudheid. En nu lees ik dus – nooit geweten – dat die roman, die ik nochtans hogelijk apprecieerde, indertijd “volkomen bespot” is geweest. Nu, daar kan Joost de Vries ook niets aan doen. Waar hij wel iets aan kan doen, is zijn bespottelijke hoogdravendheid: “Wie ook maar iets van Norman Mailer gelezen heeft weet dat hij zelf vooral geïnteresseeerd was in die ondergrondse rivier – het geweld, de seks, het freudiaanse superego dat alle rationaliteit verdringt.” Het freudiaanse superego dat alle rationaliteit verdringt..??? Het superego of Über-ich is juist de corrigerende instantie die de begeerte aan banden legt, om dat te weten hoef je geen psychologie gestudeerd te hebben; en als je het niet weet, probeer dan geen goede sier te maken met zo’n begrip…

maandag 10 juni 2013

Tussen spiegels

Las vandaag Tussen spiegels geboren, een interessant artikel in de Groene Amsterdammer waarin Nina Polak twee boeken bespreekt: How Literature Saved My Life van David Shields en Living, Thinking, Looking van Siri Hustvedt. Shields is een romandoodverklaarder, Hustvedt juist een pleitbezorger voor de roman. Het is met name Shields die aan bod komt in het artikel; zijn beweegreden worden uiteen gezet en geanalyseerd. Ik bespeur bij mijzelf ook steeds meer wantrouwen richting de strak gecomponeerde roman; de schrijver ervan moet van goeden huize komen wil hij ermee op mijn instemming kunnen rekenen. De echtgenoot van Siri Hustvedt, Paul Auster, is typisch zo’n voorbeeld van iemand die naar Shields zou moeten luisteren. Zijn romans, zeker diegene waarin de personages voor levensecht moeten doorgaan, zakken dikwijls door het ijs, terwijl zijn non-fictie werk, zijn betekenisliteratuur, The Invention of Solitude, Hand to Mouth, Winter Journal, soms prachtig proza oplevert. “Zo ver als Hustvedt haar nek uitsteekt naar onbekende gebieden…” schrijft Nina Polak. Is dat jezelf een dichterlijke vrijheid veroorloven of slordigheid? Hoe dan ook, niet mee inzitten, boeit niet, geeft mij de gelegenheid om dit stukje quasi achteloos af te sluiten met een citaat van Auster uit een van de meest cruciale teksten uit Winter Journal, waarin de schrijver vertelt over het bizarre auto-ongeluk waarin hij met zijn gezin betrokken raakt en waarbij gevreesd wordt voor zijn vrouw Siri haar mooie nek: “After two Cat scans and a number X-rays, the doctors announce that no bones are broken in your wife’s back or neck. Happy, all of you happy, then, in spite of this brush with death, and as you leave the hospital together, your wife jokingly reports that the doctor in charge of conducting the CAT scans told her that she had the most perfect, most beautiful neck he had ever seen.”

zaterdag 8 juni 2013

Schrijversmantel

Meestal vind ik de column van Marja Pruis in de Groene maar zo zo, een beetje mutsenproza om het oneerbiedig te zeggen, maar ditmaal las ik haar stukje met grote instemming. “Niets is zo lastig om te bepalen of iets of iemand echt is, en toch is dat uiteindelijk het doorslaggevende element om iets wel of niet te omarmen. Of ik zeg het verkeerd: het bepalen is niet het probleem. Ik denk het altijd wel te weten, met tamelijk grote zekerheid. De kwestie is eerder het aan anderen duidelijk te maken; hoe doe je dat zonder de verdenking op je te laden een zuurpruim te zijn, een scherpslijper.” Ze zegt het inderdaad verkeerd, want je weet al vlug of iets authentiek is of niet. Voor de goeie orde, Marja Pruis heeft het over Tommy Wieringa, aan wie ze een paar sneren uitdeelt. Bij Tommy Wieringa denk ik ook meteen fake. Eind vorig jaar hoorde je in het reclameblokje na het Journaal op Radio 4 Tommy nog weleens een fragmentje uit zijn roman voorlezen. Twee of drie zinnen en je wist meteen: dat is effectbejag, maniërisme. Daar haal ik mijn neus voor op, hoofdstukken strak als buxushaagjes of niet. Libris-prijs of niet.

zondag 3 februari 2013

Leve de republiek

Wat laten die linkse lui –als ze eenmaal gearriveerd zijn– zich toch makkelijk inpalmen door die oranjekliek. Eerst de voormalig hoofdredacteur van de Groene, Martin van Amerongen, die zich maar wat graag door Bernhard liet fêteren en nu weer Henk Hofland die in datzelfde weekblad Beatrix een veer in haar kont steekt. Hoe komt dat toch? Is het nou echt zo fijn dat je je kunt laten voorstaan op een gesprekje met de koningin? Of dat bij het diner na afloop van een “kunstzinnige bijeenkomst” een lakei komt melden dat Claus naast je zitten wilt en dat je ‘m even later zelfs samen met diezelfde Claus “gesmeerd” bent, verlost van de “officiële bedomptheid” en “in de frisse buitenlucht”? Spannend hoor, zeker de stropdas afgedaan en een sigaretje gerookt zo met z’n tweetjes… Ik houd er niet van, van dat in de kont kruipen van die oranjes. Ik heb het sowieso niet zo op die oranjes. Iets waarvoor je tegenwoordig trouwens kunt worden opgepakt. Dikke schande.

maandag 28 januari 2013

Schijtlezen nummero zoveel

De stront gleed weer soepeltjes uit de kont en terwijl ik genoot van een gebenedijde stoelgang, las ik de column van H.J.A. Hofland in de Groene Amsterdammer: Gevaarlijk bondgenootschap. Als je even bijgepraat wilt worden over de toestand in de wereld –voor zoverre die ons Westerlingen aangaat - dan is niets zo verhelderend als het proza van Henk Hofland. Obama doet het goed, roeiend met de riemen die hij heeft, en Netanjahoe kan het beter uit zijn hoofd laten om een preventieve aanval op Iran te doen, zo is het maar net.

donderdag 29 november 2012

De Groene Amsterdammer

Toen ik midden jaren negentig een abonnement nam op de Groene Amsterdammer vond ik het een veel boeiender en beter bij mij passender blad dan Vrij Nederland waarop ik daarvoor een poosje geabonneerd was geweest. Ik kocht de Groene aanvankelijk soms los. Ik herinner me een heel krantje gewijd aan Arthur Rimbaud en een kerstnummer in het teken van het Kwaad waarin veel literaire coryfeeën aan bod kwamen die toen al, ofschoon ik net de literatuur aan het ontdekken was, mijn grote interesse hadden. Toen een paar jaartjes later het blad net als VN in tabloidvorm uitkwam en er bovendien een soort van biografie van Gerard Reve in columns in verscheen van de hand van Theodor Holman, ofte wel Opheffer, was ik om en nam een abonnement. Ik was nogal een Reve-fan en Opheffer deed mij met zijn wekelijkse biografische Reve-column dus veel plezier. Ook de gewone column van Opheffer sloeg ik nooit over. Inhoudelijk was ik het dikwijls zeer met hem eens, althans zo doet de herinnering voorkomen, en ik benijdde hem om de ogenschijnlijke eenvoud waarmee hij zijn meningen onder woorden bracht. Inmiddels zijn we bijna twintig jaar verder en vind ik de columns van Opheffer dikwijls strontvervelend. Elke keer maar zeveren over verloren idealen, over hoe links ie vroeger was en hoe cynisch en rechts tegenwoordig. Om de zoveel weken wordt Sartre weer eens van stal gehaald en wordt er iets oppervlakkigs gezegd over het existentialisme. De honger in de wereld waar hij ook niets aan kan doen, de kunstsubsidieruif etc. etc. Gaap, gaap en nog eens gaap. Aan de column van Ester Naomi Perquin daarentegen, die dikwijls niet meer dan een gedachte of observatie als onderwerp heeft om daar dan op in te zoomen, beleef ik veel genoegen, zoals ik ook aan die van haar voorganger Gerbrand Bakker veel genoegen beleefde. Ik herinner me hoe hij vertelde van een oude man die zijn voortuin volgeplempt wilde met zwarte aarde, alleen maar zwarte aarde met bloembollen daarin, opdat hij in het vroege voorjaar naar het prille groen zou kunnen kijken dat te voorschijn piept en een nieuwe cyclus van groei en bloei aankondigt. Dat verlangen van die oude man vond ik vertederend. (Ik zou, bij leven en welzijn, over een jaar of veertig die oude man kunnen zijn.)

zaterdag 30 juni 2012

Mutsenproza

Het eerste wat ik dacht toen ik die foto van Rachel Cusk zag in de Groene Amsterdammer, was daar wil ik op. (Niet ontiegelijk graag maar best wel.) Het tweede wat ik dacht bij het zien van die foto, was op wie lijkt Rachel Cusk? (Antwoord: op Fay Lofsky.) Volgens Marja Pruis is Rachel Cusk een van de interessantste schrijvers van dit moment omdat ze genadeloos over man-vrouwverhoudingen schrijft. Echt zo’n mutsenthema, man-vrouwverhoudingen, geen wonder dat dat Marja Pruis zo boeien kan. (Geen kwaad woord over Marja Pruis, want misschien is het wel een heel lieve mevrouw, maar de stukken die ze in de Groene schrijft, en dan met name haar columns, die zijn me van een mutserigheid… Overigens zag ik Fay Lofsky in de zaal van Nighttown, ergens in de zomer van 1999, bij een optreden van Mercury Rev. Toen ik naar Nighttown kwam toegelopen, stonden Jonathan Donahue en Grashopper op de hoek van de Kruiskade heel cool een sigaret te roken. Chasing a bee stond die avond op de setlist.