Posts tonen met het label Michel Houellebecq. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Michel Houellebecq. Alle posts tonen
zondag 21 juni 2015
Streel mijn poesje, liefje
“Ik wil later met Siem trouwen!” zegt kleindochter Cielke. “Wie niet?” vraagt dochter Elsa. En het heeft er alle schijn van dat Siem zelf met Siem zou willen trouwen, gesteld dat dat mogelijk was, zeg de schrijver dezes. Siem is Simon, het alter ego van Jan Siebelink in zijn roman De Blauwe Nacht. Sjonge jonge jonge wat heeft dat tiep het met zichzelf getroffen, wat een ongegeneerde eigendunk. Daarbij vergeleken was Herrie Mulles de bescheidenheid zelve. En wat een nuffigheid, wat een wuftheid, meine Güte. Sieb / Siem mag dat hetero zijn, maar wel een van de homoseksuele soort. (In gedachten zie je hem telkens met een wuft gebaar zijn haar naar achteren doen.) Is het boek wat? Tja, Parijs, tja Joris Karl Huysmans, tja, het symbolisme en het surrealisme, tja Les Poètes Maudits, dat zijn onderwerpen die mij aan hart gaan. Ik heb dat boek niet voor niks gekocht. Dat Jan Siebelink een aanstellerige estheet is vol eigendunk, neem ik dan maar op de koop toe. Hij schrijft niet slecht. Al blijft hij hopeloos achter bij zijn lichtend voorbeeld, Huysmans, die zoveel fijnzinniger en talentvoller was. Trouwens, tweede boek al dat ik lees dit jaar met een hoofdpersoon die op het werk van Huysmans promoveert of is gepromoveerd. Het eerste was Soumission van Houellebecq. Als ik weer es in Frankrijk ben zal ik À rebours kopen en het herlezen in het Frans. Als ventje van 23 vond ik het prachtig. Vertaling van homoseksuele hetero Jan Siebelink. Daar moet ik hem toch dankbaar voor zijn. Om terug te komen op de vraag: is het boek wat? Nou ja, opzienbarend is het niet, op de breeduit geëtaleerde eigendunk na. Toch lees ik er graag en gretig in door. Kun je zeggen dat kompt doordat Parijs existentialisme Mallarmé Café de Flore Brasserie Lipp etc etc –ja, maar een jaar of zo geleden las ik Een liefde in Parijs van de alom hogelijk gewaarde Remco Campert en die roman wist op mij met dezelfde couleur locale toch een veel minder enthousiasmerend effect te sorteren. Dat was meer een wedstrijdje Parijse straatnamen noemen (want dat doet Modiano ook en bij hem werkt dat zo goed) opgehangen aan een keukenromannetjesplot. Nee die romankunst van Campert stelt echt geen ene ruk voor. (Al vond ik Het leven is vurrukkulluk wel weer geestig indertijd, eerlijk is eerlijk.) (Er een zwartgallige onanistische parodie op schrijven: Ut levuh is ruk.) -Maar bij Siebelink valt er ook veel te lachen. Onbedoeld weliswaar, maar dat lacht vaak het lekkerst. Ligt-ie, Simon, weer es onderop bij het neuken met z’n jongenachtige minnares, vraagt zij “Je zegt helemaal niets, liefje. Waar denk je aan?” Je zou een verbaasd “Nergens aan: ik lig te neuken!” verwachten, maar nee er volgt een zeer begaan gesprek over een meisje dat bij een aanslag van de OAS ernstig verminkt is geraakt. Dezelfde avond nog wandelt Simon met diezelfde minnares, die hem uiteraard net als alle andere vrouwen verafgoodt, door de Rue Saint-Denis; de bedoeling is dat zij de hoer voor hem gaat spelen want lekker decadent en zo, enfin. Ter hoogte van café Greneta zegt Simon: “Hier liet Lodewijk XIV de stoet halt houden om een plas te doen.” Waarop Judith: “Ik hou van je. Je hebt altijd een verhaal.” Een poosje later, als ze een natte poes heeft: “Ze legde zijn hand tussen haar benen. ‘Voel je het. Zo nat. De roes.’ ‘Dauw.’ ‘Oef, dat zeg je mooi.’ Kom op zeg, daar zakt je broek toch van af. En zo zijn er legio voorbeelden. Ook typisch, van bijna elke Franse zin in de roman, van elk Frans woord, staat achterin het boek de vertaling opgenomen, behalve het door prostituée Gabriela uitgesproken “Caresse ma chatte, chérie.”
zondag 15 maart 2015
Niet stikken
Ik lees Plateforme van Michel Houellebecq. Soms moet ik erg lachen. Dit bijvoorbeeld vind ik erg grappig: "Elle rentrait tellement épuisée de son travail qu'elle n'avait plus la force de faire l'amour, à peine de me sucer; elle s'endormait à moitié, gardait mon sexe dans sa bouche." Zou-t-ie zelf hebben zitten gniffelen toen-ie 't opschreef?
zaterdag 31 januari 2015
On aime l'auteur plutôt que son livre
In Soumission zegt Houellebecq iets over literatuur, dat ik zeer onderschrijf. Ik geloof zelfs dat ik het zelf ook al eens gezegd hebt, zij het uiteraard minder pregnant. Op pagina 13 houdt hij een klein betoog over wat de literatuur vermag ten opzichte van de andere kunsten: “Mais seule la littérature peut vous donner cette sensation de contact avec une autre esprit humain, avec l”intégralité de cet esprit, ses faiblesses et ses grandeurs, ses limitations, ses petitesses, ses idées fixes, ses croyances ; avec tout ce qui l’émeut, l’intéresse, l’excite ou lui répugne. » Terecht opgemerkt, denk ik. Maar het wordt nog boeiender als hij de kracht van een literair werk volledig terugbrengt tot de bron ervan, de auteur : “Alors bien entendu, lorsqu’il est question de littérature, la beauté du style, la musicalité des phrases ont leur importance; la profondeur de la réflexion de l’auteur, l’originalité de ses pensées ne sont pas à dédaigner ; mais un auteur c’est avant tout un être humain, présent dans ses livres, qu’il écrive très bien ou très mal en définitive importe peu, l’essentiel est qu’il écrive et qu’il soit, effectivement, présent dans ses livres (…) Hier zegt Houellebecq iets spannends en, voor halfzachte mafkezen als ik, aanmoedigends, namelijk dat het uiteindelijk niet eens van belang is of de schrijver een goede schrijver is om een vanuit literair oogpunt belangwekkend werk voort te brengen – als de auteur zelf maar kwaliteit genoeg heeft, bijzonder genoeg is, als mens, als geest, en als zodanig in zijn werk aanwezig is. Wat hij ook zegt, wat min of meer uit het voorgaande volgt is: « De même, un livre qu’on aime, c’est avant tout un livre dont on aime l’auteur, qu’on a envie de retrouver, avec lequel on a envie de passer ses journées. » Schrijvers wier persoonlijkheid zeer in hun werk aanwezig zijn, heten overigens niet zelden Gerard : Gérard de Nerval, Gerard Reve. Maar ook wel Knut en August. Patrick. Michel ook.
dinsdag 25 december 2012
Waarom Grunberg geen echt groot romancier is
In de Volkskrant van afgelopen zaterdag staat een interview met Kira Wuck. In het interview wordt Arnon Grunberg aangehaald, die beweerd zou hebben “voor het eerst van zijn leven geraakt te zijn door gedichten, haar gedichten.” Dat verbaast mij niets. Want als er iets mist aan het schrijverschap van Arnon Grunberg dan is het (de ontvankelijkheid voor) poëzie. Hij is een absolute meester in het in bondige bewoordingen een pittige mening verkondigen, hij heeft daarnaast gevoel voor het absurde en voor de “economie” van menselijke verhoudingen, maar wat ontbreekt, wat ten enenmale ontbreekt, is de lyriek, de trillende snaar, de poëzie. Daarom zal Grunberg, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Houellebecq, nooit een echt groot romancier worden, want er mist poëzie, en uiteindelijk is de romankunst toch vooral poëzie.
Labels:
Arnon Grunberg,
John Schrool,
Kira Wuck,
Michel Houellebecq
zaterdag 29 september 2012
Huid en haar
In de literaire bijlagen wordt Arnon Grunberg nogal eens met Michel Houllebecq vergeleken en dat is begrijpelijk omdat beide schrijvers van de vermarkting van menselijke verhoudingen een thema hebben gemaakt, maar ik vrees dat het voor Arnon Grunberg toch te veel eer is. Vooropgesteld: ik lees zijn columns in de Volkskrant met bewondering en ik ben het niet zelden eens met zijn intelligente analyses die hij als geen ander in een paar puntige, trefzekere zinnen weet samen te vatten. Zijn columns verraden zijn brille, en het zijn zijn columns die maakten dat ik toch maar weer eens een roman van hem las. En aanvankelijk las ik Huid en Haar met instemming. De zinnen kort en bondig, maar expressief, geestig en opmerkzaam. De kalme onontdane blik van Ronald Oberstein, de protagonist, doet een beetje aan die van Grunberg zelf denken, en ook de personages rond Oberstein heen komen redelijk uit de verf. Wat volgt zijn de sores (en bespiegelingen daarop) van die personages die nochtans in een soort van paradijselijke omgeving leven: het liberale en libertijnse Westen. Dat is boeiend maar wordt op den duur eentonig wanneer de roman maar voortkabbelt en voortkabbelt. Pas na dik vierhonderd pagina’s komt er iets van een dramatische ontwikkeling en die is niet sterk genoeg om een roman van ruim vijfhonderd pagina’s te stutten. (Sterker nog, die romance met dat paardenmeisje doet geforceerd aan, om nog maar niet te spreken van haar zelfmoordpoging.) Eh bien, eindelijk is het gedaan met de gelijkmoedigheid van Roland Oberstein: hij zit op zijn knieën op de natte vloer van een cafétoilet en spreekt tot de speelgoedbeer die hij uit zijn tas haalt: “Ik smeek je. Laat me in de aarde verdwijnen.” Kenmerkende Grunberg-slapstick, waar ik nochtans niet warm of koud van word.
Labels:
Arnon Grunberg,
Huid en haar,
Michel Houellebecq
Abonneren op:
Posts (Atom)