zondag 24 mei 2015

Oudewater

Mijn god houdt van spekjes maar wel vegetarische spekjes want mijn god is een ethische god.

Voorts wil ik gewag maken van een droombeeld. Ik reed naar Oudewater, stadje waar ik lang geleden een onbeduidende kantoorbaan had. De stad binnenrijdende zag ik een prachtige vogel een boom in vliegen, een bonte specht maar niet zo een als die ik de dag ervoor in de wakende wereld tijdens een wandeling zag, zwart rood en wit, nee een die zijn naam meer dan waar maakte: rood oranje geel en paars! Ik dacht nog ik moet de naam van die specht es opzoeken op internet want mijn kennis uit de wakende wereld zat mij dwars: waarom kon een waarlijk bonte specht niet gewoon een bonte specht zijn en streepte ik in mijn hoofd meteen de andere mogelijkheden af: zwarte specht, groene specht, draaihals? En dat moest allemaal in een split second, in supersonisch gecomprimeerde droomtijd, want de droom had nog meer ornithologische verrassingen voor mij in petto. Op een lage tak in de boom waar de waarlijk bonte specht zijn plekje vond, zat een joekel van een uil te roesten – vraag me niet wat voor uil.

Later, des avonds, zou ik me wederom in een gedroomd Oudewater bevinden, een Oudewater dat qua uiterlijk weinig tot niets met het wakkere stadje gemeen had. Ik was er met S. voor vrijetijdsdoeleinden, wij zouden het theater bezoeken. S. was zeer te spreken over het pleintje waar het theater aan lag, omringd als het was door oude herenhuizen. Het deed mij goed dat zij ervan genoot. “En dit is nog maar de achterkant van het theater. Aan de voorkant hebben ze een terras tussen lommerrijke bomen..!”

vrijdag 15 mei 2015

Fury Road

Opgejut door de ronkende recensies in de pers zat ik gister met een 3D-bril op mijn neus onderuitgezakt in een aftandse bioscoopstoel te wachten op het begin van Mad Max Fury Road. Ik had er dermate zin in dat het alleen maar kon tegenvallen en het viel ook tegen, nogal zelfs. Want het is toch net iets te simplistisch allemaal, te rechttoe rechtaan, te ongefundeerd, te ongemotiveerd, te melodramatisch met die grote gebaren en die heldhaftigheid en alles. Bovendien is Tom Hardy geen Mel Gibson, die wél een grimmige, getormenteerde Mad Max wist neer te zetten. Wat resteert is flitsende maar onzinnige actie, die soms bedoeld -en onbedoeld- op de lachspieren werkt. Camp.

dinsdag 5 mei 2015

Modi

Heb een prachtige Franse Fillum gezien vandaag: Montparnasse 19. Nou es een biopic die niet lijdt onder het genre. Modigliani: Modiano claimt hem als lid van de familie en dat snap ik best, schitterende kunstenaar. Prachtige liefdesgeschiedenis ook, zij het tragisch. (Dat ik Modigliani al kende (van naam) voordat ik Modiano ging lezen, komt doordat het verhaal ging dat hij altijd met Les Chants de Maldoror op zak liep. Dat nam hem voor me in. (Eigenlijk verdiepte ik me in die tijd – over welke tijd hebben we het eigenlijk: zo rond de eeuwwisseling – nauwelijks in de schilderkunst.) Nu boeit het me meer en meer. Genoot vorig jaar nog zeer van Calasso’s Droom van Baudelaire en ga vanavond enthousiast beginnen in In ogenschouw van Julian Barnes. Verder lees ik momenteel Les Choses van Perec (subliem) en Les Chimères van Gérard Nerval (eveneens subliem). Ja mensen, deze jongen heeft smaak.

maandag 27 april 2015

Punk rock/Cody

Zeker, het origineel is ook heel mooi, teder en ontroerend; maar dit is toch echt de overtreffende -en niet te overtreffen- trap.

maandag 13 april 2015

Aanmodderen!

Wederom verkoudjes. Niesdagje, leesdagje. De voor halfzachte oelewappers als ik weinig bemoedigende woorden die ik hieronder citeer, komen uit Bezorgde ouders van Gerard Reve.

“Maar of hij enig talent bezat voor oorspronkelijk scheppend werk, dat was voor Treger zelf nog steeds de vraag. Of neen, eigenlijk niet: op zijn leeftijd kon men, wat nog steeds niet gekomen was, ook niet meer verwachten. Het ging er nog slechts om, of men daarmede vrede had, of niet. Als men gezond was, eerlijk aan de kost kon komen, van bepaalde mensen enige genegenheid en achting ondervond en zelfs een enkele keer, hoe bitter ook, nog iets van de liefde mocht proeven, was dat dan niet voldoende?”

Tja, ehm, nou ja, wat zal ik zeggen, enfin. Eerder nog op de dag las ik bij toeval een gedicht van Philothée O’Neddy, u kent hem wel.

Et si, pour assoupir ton âme,
Pour lui verser un doux dictame,
Le Destin, geôlier rigoureux,
Ne t'a pas, dans ton insomnie,
Jeté la lyre du génie,
Hochet des grands coeurs malheureux
(…)

Op de puntjes hoort te staan Va, que la mort soit ton refuge ! met nog een heel loflied op de dood erachteraan. (Het gedicht begint overigens met een citaat van Pétrus Borel: « Sur la terre on est mal : sous la terre on est bien. ») Maar ik vind, dood kunnen we nog lang genoeg zijn. Niet tobben – aanmodderen! Dat is mijn devies.

zaterdag 11 april 2015

Moor poohwétri!

Op een regenachtige zaterdagmiddag
-Geen zondagmiddag, dat zou afgezaagd zijn! –
Stond ik voor het raam en keek naar buit-
en. Veel zag ik niet. Een paar auto’s die voorbijreden.
En de regendruppels tegen de ruit.

zaterdag 28 maart 2015

Gebakken hond

Ik ben dikwijls de inschikkelijkheid zelve. Ik ben vriendelijk, voorkomend, aardig, behulpzaam, toon begrip, lach wanneer het van me verwacht wordt etc. etc. Dikwijls – maar soms ook voelt het of ik haaks op de wereld sta, haaks op de mensheid. Zo hermetisch mogelijk beweeg ik me dan tussen die tweevoeters wier banaliteit gewoonweg te stuitend is om te kunnen verdragen. Vanochtend was ik bij de slager. Ik kom niet graag bij de slager omdat ik niet graag op plekken kom waar in stukken gehakte lijken voor iedereen te kijk in de vitrine liggen en tot nog kleinere stukjes lijk, plakjes lijk wanneer de argeloze tweevoeter dat blieft, gehakt of gesneden worden; maar voor mijn oude moeder die zelf even niet gaan kan, ga ik dan toch maar naar de slager.
Ik kom de bestelling van mevrouw X ophalen.
Weet u wat ze besteld heeft?
Nee nee.
Zijn het karbonaden?
Ik weet het niet.
Het zal wel geen gebakken hond zijn.
Ik kijk naar rechts. Naast me staat een man olijk te grijnzen. Ik staar hem aan.
Het zal wel geen gebakken hond zijn…
Ik zeg niks. Ik staar hem alleen maar aan. Weinig tot geen inschikkelijkheid. Volstrekt haaks op de winkel, op het personeel in de winkel, op de klandizie. Op de stuitend banale grappenmaker.
Hond, zet hij uiteen, ze zullen hier toch geen hond verkopen?
Vraag het dan weet je het, zeg ik.
Ik krijg intussen een plastic tasje met stukjes en plakjes lijk aangereikt. Ik betaal en verlaat de winkel.