Posts tonen met het label Arthur Rimbaud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Arthur Rimbaud. Alle posts tonen
zondag 11 oktober 2015
Un coin de table
Toen ik ruim een maand geleden nog wat tijd had stuk te slaan op Gare du Nord kocht ik bij de Relais Paul Verlaine van Stefan Zweig. Zelden heb ik meer plezier beleefd aan een impulsaankoop. Het door Corinna Gepner uit het Duits vertaalde proza van Stefan Zweig is in een woord prachtig. Niet in blinde aanbidding en zeker niet zonder kritische noot schrijft Zweig met liefde, bewondering en invoelend vermogen over werk en leven van Paul Verlaine. Om het boekje wat volume te geven heeft de uitgever ook een biografische notitie van Zweig over Rimbaud toegevoegd, een goede zet, want wie Verlaine zegt, zegt Rimbaud. En die tekst over Rimbaud enthousiasmeerde mij misschien nog meer dan de monografie over Verlaine. Waar Verlaine wordt afgeschilderd als zwak, vrouwelijk, speelbal van het lot, wordt Rimbaud, l’époux infernal, voorgesteld als sterk, robuust, wilskrachtig, energiek. Voor die typering van dat gelegenheidshomopaar valt veel te zeggen, maar met één opmerking van Zweig ben ik het oneens, en dat is die over de afbeelding van Rimbaud op het beroemde schilderij van Henri Fantin-Latour. Volgens Zweig ziet de afgebeelde Rimbaud er meer uit als een arbeider dan als een dichter terwijl, kijkt u zelf, als er iemand op dat schilderij eruit ziet als un poète, un rêveur, dan toch Arthur. Sterker, hij heeft zelfs iets meisjesachtigs op die voorstelling, iets dat volledig indruist tegen het beeld dat bijvoorbeeld Izambart – met wie Zweig gesproken heeft, want dat kon toen nog! – van hem schetst: “précoce, colérique, brutal, très viril, un gaillard avec de gros poings solides, un peu monsieur muscle (…).” Maar het ene hoeft het andere niet uit te sluiten.
zondag 3 november 2013
De Mens in Opstand
Nu De Afvallige van Jan van Aken inderdaad een kutboek blijkt te zijn –ik lees het maar uit voor de geschiedenisles, trouwens, ik ben te dwangneurotisch om een boek waarin ik eenmaal begonnen ben aan de kant te leggen- lees ik voor wat literair tegenwicht – want met literatuur heeft De Afvallige au fond weinig van doen: het is meer een soort van Asterix en Obelix – L’homme révolté van Albert Camus. Of beter herlees. Want toen ik een jaar of tweeëntwintig was las ik het voor het eerst, in Nederlandse vertaling. Ik las het boek gretig en werd daarbij erg geholpen doordat ik in die korte periode daarvoor –ik begon pas met lezen na mijn twintigste– veel van bijvoorbeeld Dostojewski en zelfs Nietzsche gelezen had en van menig andere schrijver die in het essay van Camus genoemd wordt. Anderzijds bracht het boek me een paar zeer belangwekkende schrijvers op het spoor: Arthur Rimbaud en Comte de Lautréamont. In mijn herinnering las ik het boek niet alleen gretig maar ook met groot gemak en dat verbaast mij nu enigszins want ik moet heel langzaam lezen om alles te begrijpen en soms krijg ik maar moeilijk vat op de tekst. Mijn Frans schiet tekort; ik ben verhalend proza gewend; geen betogend proza. Maar aangekomen bij La révolte métaphysique weet ik weer precies waarom ik destijds zo in de ban was van dat boek. Niet om het grote betoog met de politieke implicaties (de revolte die ingekapseld wordt door ideologie en dan over lijken gaat) maar om de mens die zich tegen zijn schepper keert, en die zegt, hoor es, mannetje, dit pik ik niet. Zoals de slaaf opstaat tegen zijn meester, zo staat de mens op tegen zijn God om hem ter verantwoording te roepen in een gesprek van man tot man. En, om met Camus te spreken, « Il ne s’agit pas d’un dialogue courtois. »
Abonneren op:
Posts (Atom)