dinsdag 23 december 2014

Rilke met z'n Pielke

Heb toch maar es Brieven aan een jonge dichter van Rainer Maria Rilke gelezen. Het zijn mooie brieven met wijze levenslessen. Koester je eenzaamheid. Verzet je niet jegens je medemens – verwonder je over hem. Wind je niet op over de beperkingen die je betrekking je oplegt – zelfs als je geen werk had zou je de beknelling voelen die de maatschappij teweegbrengt jegens de kunstenaarsziel. De liefde moet pijnlijk zijn, en diepgevoeld worden, dus verlangen, geen vroegtijdige consummatie. Ook nog wat getheoretiseer over de verschillen tussen de seksen, die selon Rilke zoveel mogelijk opgeheven dienen te worden. Net als ik het allemaal iets te ernstig en humorloos begin te vinden, lees ik (precies een alinea nadat Rilke uiteengezet heeft hoe de seksuele “last” pas na lange rijping door man en vrouw “gedragen” kan worden):
“Maar alles wat misschien ooit voor velen mogelijk zal zijn, kan de eenzame mens nu al voorbereiden en tot stand brengen met zijn handen (…)”

zaterdag 20 december 2014

Waarom zijn de bananen krom?

Mede dankzij het boeddhisme geeft Schopenhauer een verklaring en een handleiding voor het leven, maar een antwoord op de vraag aller vragen blijft hij schuldig. Want waarom? Waarom deze wereld van wezens die elkaar naar het leven staan? Enfin, zoals een groot dichter eens dichtte: Goede seks & lekker eten/ De rest mag je vergeten.

zaterdag 13 december 2014

Dans le café du temps perdu

Toen ik eind twintig, begin dertig was – of ergens daartussenin – reed ik op zondagmiddag nogal eens naar Wageningen. Om de visite thuis te ontvluchten of gewoon, om er ff uit te zijn. Meestal wandelde ik dan de Grebbedijk uit en liep via Spijk of Bowlespark naar een van de cafés aan de Herenstraat. Ik zorgde altijd dat ik een boek bij me had en ik herinner me terwijl ik dit tik dat de ober bij Café Het Gat een keer zei, hè, jij was hier vorige week ook, ook met een boek, of woorden van gelijke strekking. Ik herinner zelfs nog het boek dat ik bij me had, toen die ober, die heel sympathiek was, dat tegen mij zei: Onder de vulkaan van Malcolm Lowry. Behalve Café Het Gat frequenteerde ik ook Café Loburg, dat drukker was op zondagmiddag, en een grote leestafel van dikke houten balken had die achter in het etablissement stond. Daar, aan de hoek van de tafel, onder de leeslamp, zat ik dan: zwarte coltrui aan, boek voor mijn neus, sigaret in mijn knuist. Kijk, daar werd mijn glas Canadese whisky al gebracht. Maar waarom vertel ik dit? Op een zo’n verloren zondagmiddag, toen ik achter aan de leestafel zat – het was druk in Café Loburg: bijna alle tafeltjes waren bezet – zag ik een bloedmooi meisje van een jaar of twintig alleen aan een tafeltje plaatsnemen, zo’n meter of vijf van mij vandaan. Ze voelde zich ongemakkelijk, probeerde zich een houding te geven, maar wist niet hoe. Ik vond dat ontroerend en fascinerend: zo’n ontstellend mooi meisje en dan toch onzeker, bang, zich schamend god weet waarvoor. Zelf wist ik maar al te goed hoe het was om je opgelaten te voelen en dat zou reden genoeg zijn geweest om naar haar toe te lopen en haar gerust te stellen, haar op haar gemak te stellen, al vroeg ik me af of ik met mijn aanwezigheid zulks wel zou kunnen bewerkstelligen. Bovendien zou ik haar extra in verlegenheid hebben kunnen brengen, zij zou een versiertruc, of erger nog een zeer onbeholpen versiertruc hebben kunnen vermoeden, en terecht natuurlijk want zelfs al zou ik met de meest onbaatzuchtige bedoelingen op haar af gestapt zijn, ik zou verliefd zijn geworden, en elk vriendelijk woord van haar zou ik doelbewust als een aanmoediging hebben uitgelegd. Gelukkig voor haar dorst ik niet, of droomde ik liever wat voor me uit, of was ik te realistisch en wist me op voorhand volstrekt kansloos: hoe dan ook, ik kwam niet van mijn plek of misschien pas nadat ik afgerekend had en naar mijn auto terug wilde lopen. Vast heb ik haar nog met blikken in verlegenheid gebracht toen ik haar passeerde, misschien heb ik zelfs nog geaarzeld of ik haar toch niet aanspreken zou… maar nee… nee, dat deed ik niet... de gedachte alleen al.

vrijdag 28 november 2014

Jolig Mormel

Woensdagavond, voordat ik ging zwemmen, zat ik op de plee de krant te lezen. De muziekrecensies. Zaz kreeg vier sterren voor Paris. Bij toeval ontdekte ik niet zolang geleden Paris sera toujours Paris van Maurice Chevalier. Zaz maakt er dit van. Poppy, jazzy, leuk clipje ook. Patricia Petibon kreeg vier sterren voor La Belle Excentrique. Ik ben sowieso een zuiger voor roodharige dames, maar als ze dan nog zo kunnen zingen als Patricia Petibon en van de Parnassus durven afdalen om Jolie mômevan mijn held Léo Ferré te zingen, dan ga ik helemaal voor gaas. Ik denk dat ik eens gek doe en beide albums ga kopen.

Hoofd fier gebogen

Ik nam een paar mapjes door en stuitte op een gedigje dat ik lang, heel lang geleden schreef. Heel opbeurend. Schreef het met het hoofd fier gebogen. Hoofd fier gebogen, coole frase vond ik dat.


Ik werk graag in het voren.
Zo komt het werk sneller af.

Ik zet in de grond de spade
En graaf alvast mijn eigen graf.

woensdag 19 november 2014

Tijgerplakken

De ochtend is grijs en ik maak een wandelingetje. Er heeft een ware rattenslachting plaatsgevonden; ik tel minstens vijf platgereden rattenlijken met uitpuilende ingewanden. “Gelukkig zijn het ratten, geen katten,” zegt mijn moeder als we een poosje later aan de koffie zitten. Ik vertel haar van een droom die ik had. Ik fietste door de Achterstraat naar huis en ter hoogte van de boerderij van voorheen boer B. trof ik stukken tijger aan, plakken tijger, alsof een tijger door een soort van hakselaar te grazen was genomen. In eerste instantie verbaasde ik me er niet over, want ter plaatse trof men wel vaker verhakselde dieren aan, maar een tijger… dacht ik naar huis fietsend, dat is toch niet echt voor de hand liggend te noemen. Na enig wikken en wegen zette ik thuis de computer aan en tikte in de zoekbalk: “Meld misdaad anoniem.”

zaterdag 15 november 2014

In de stad

Op safari in je eigen stad. Door de armoedewijken langs het spoor op richting Binnenhoek. De hemel is leigrijs. Twee oude Turkse dames met een hoofddoek passeren mij en beantwoorden mijn groet. Ik ga de Jumbo in om wat vleesvervangers in te slaan. Als ik weer buiten kom, miezert het. Ik loop naar de overkant van de straat en ga onder de onderdoorgang van het gebouw aan De Twaalf Apostelen een sigaret staan roken en neem het tafereel aan de overkant in mij op. De mensen die van de Jumbo, de Lidl en Mitra vandaan komen met hun boodschappentas. De mensen bij de viskraam. Dan draai ik me om en loop naar de andere kant van de onderdoorgang om de nieuwbouw aan weerszijden van De Twaalf Apostelen te bekijken. Ik kom hier eigenlijk nooit. Als ik mijn sigaret heb opgerookt,druk ik ‘m uit tegen de muur en breng de peuk naar een prullenbak. Via de Groteburgse Grintweg loop ik terug naar de Binnenhoek en van daar naar de winkelstraat om nieuwe batterijen te kopen.