zondag 4 december 2011

R.I.P. Socrates

Als ik me een voorstelling van de grote Griekse filosoof Socrates maak, zie ik steevast een lange magere man voor me met donkere krullen en een kort donker baardje. Net vijftien was ik toen ik tijdens het WK in Spanje in de ban raakte van het majestueuze sambavoetbal van de Brazilianen. De aanvoerder van dat team heette Socrates, een lange, technisch heel bekwame voetballer, intelligent en met veel spelinzicht. Om mijn idool te zijn was Socrates wellicht iets te bonenstakerig –Zico, dat was mijn idool- maar hij had iets van een mentor, een man naar wie je opzag. Hij was niet alleen voetballer, hij was dokter bovendien, en binnen en buiten het veld een man van beschaving: een man gevormd naar zijn naam kortom – en net als de grote filosoof uit de Griekse oudheid drinkend aan zijn eind gekomen, dat is, in zekere zin… Rust zacht, Goddelijke Kanarie, rust zacht.

zaterdag 3 december 2011

Over poëzie schrijven, zo doe je dat

De poëzierecensies van Piet Gerbrandy in de Groene Amsterdammer lees ik met graagte. Ze voltrekken zich dikwijls volgens een vast stramien. Eerst een algemene poëticale beschouwing, daarna inzoomen op het te bespreken werk. Zo ook deze week als hij de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg bespreekt – en bewierookt. Ditmaal is de inleiding van filosofische aard: Plato’s vormenleer wordt afgezet tegen Heraclitus’ panta rhei. Het pleit wordt beslecht in het voordeel van Heraclitus, omdat we volgens Gerbrandy "in een tijd leven van gaan, het zijn lijkt definitief passé.” Een mooie opmaat naar de poëzie van Wijnberg, waarin metaforen geschuwd worden en “het gaan en komen, het stromen en worden” centraal staan. Volgt een bespreking die van close reading getuigt en bovendien een erg interessante notie bevat, een die ik, ongeletterde oliphand in de porcelijncasdt van de literatuur, maar soit, van harte onderschrijf – en bijgevolg (ter afronding) citeer: “Het is een opmerkelijk verschijnsel dat het vaak de meest verstokte eenlingen zijn die, om met Pound te spreken, the tale of the tribe vertellen. Men hoeft slechts de allerindividueelste poëzie van Lucebert, H.H. ter Balkt, Hans Faverey en Kees Ouwens te lezen om iets te begrijpen van het cultureel klimaat in het Nederland van de tweede helft van de twintigste eeuw. Als ik mij niet vergis, vervult Wijnberg die rol voor deze tijd.”

donderdag 1 december 2011

Hoe de schrijver de dichter eert

Op pagina 63 van La Ronde de Nuit van Patrick Modiano:

« Ensuite, je sors de mon portefeuille la photographie du docteur Marcel Petiot, pensif, au banc des accusès, avec, derrière lui, toutes ces piles de valises : espoirs, projets avortés, et le juge, en les désignant, me demande : « Dis, qu’as-tu fait de ta jeunesse ? » tandis que … »

Op pagina 77 van diezelfde (magistrale) roman:

« Le ciel est trop bleu, les feuillages beaucoup trop tendre. »

zaterdag 26 november 2011

Goeie recensies

Misschien is het mijn al te achterdochtige aard, maar ik vertrouw hem voor geen meter die gladdekker van een Arie Boomsma. Mooie praatjes verkopen bij dat inteeltprogramma DWDD, en en passant zijn boek. De recensies waren goed zei Mathijs van Nieuwkerk, want dat zegt ie altijd, maar altijd als hij dat zegt kun je het gerust met een korreltje zout nemen. In Volkskrant bijvoorbeeld maar een schamele twee sterren, maar de domineeszoon deed gauw knikkend beamen: goeie recensies, das goed voor de verkoop. En nou wordt het boek nog verfillumd ook, jawel, de duivel schijt altijd op de grote hoop. Gaan we ‘ns effe hardop dromen over wie de rol van Barnapas Halul mag spelen. Er worden al namen genoemd, nou nou, zelfs Jacob Derwig. Maar Boomsma zou Boomsma niet zijn als ie niet met een exotische naam zou komen: Chico Kenzari. Bruggen bouwen en glimlachen (op het juiste moment lachen bij de grappige filmpjes) en boeken verkopen. Aan tafel!

zondag 13 november 2011

Literatuur

“Schaamteloosheid is het kenmerk van literatuur” staat er op de voorkant van het Volkskrant Magazine. Het is een quote van Connie Palmen, die in een interview de maat wordt genomen. Als schrijfster vind ik haar beperkt (stilistisch vind ik haar beperkt), maar in interviews en dergelijke zegt ze soms zinnige dingen over de literatuur. Of schaamteloosheid inderdaad hét kenmerk van literatuur is, dat lijkt me iets te boud gesteld, maar dat schrijven in sommige gevallen (neem nou mijn geval) schaamteloosheid in de hand werkt (en afdwingt), kan ik beamen.

Bij het Uur van de Wolf (waar is toch die heerlijke kont uit die onovertroffen leader gebleven - waar is die leader gebleven?) een soort van verjaardagsportret van Arnon Grunberg. Zijn columns in de Volkskrant lees ik gretig en afgunstig, kon ik dat ook maar, zo achteloos en bondig (en vaak treffend!) mijn mening formuleren hierover of daarover). Hij filmt zijn vriendin / chauffeuse als ze een band verwisselt, omdat hij zelf te onhandig is om te rijden en om een band te verwisselen. Ik zit ook liever naast het stuur dan achter het stuur, al zou ik zelf proberen er een nieuwe band om te leggen, of zou helpen op zijn minst. (Ik heb eens voor een meisje uit mijn klas een band verwisseld; kort daarna reed haar vriend met die auto van een dijk af.) Mijn moeder heeft ook nogal een stempel op mijn leven gedrukt, en mijn vriendinnen zijn ook literair angehaucht. Wat ik mis bij Grunberg is de mystieke onderlaag. Wat hij produceert is op zijn best briljant cynisme.

Zag ik ten slotte Joost Zwagerman nog in een spotje voor een zoveelste boekenreeks die de webwinkel van de Volkskrant te koop aanbiedt: de man is een parodie op zichzelf.

Een koe te zijn

Grazen en tegelijkertijd de staart omhoog en schijten en je verder nergens om bekommeren.

vrijdag 4 november 2011

Er schiet me een jeugdherinnering te binnen

Met een vriendje liep ik op straat. Er stopte een auto; raampje werd naar beneden gedraaid.
“Jongens, ik moet daar en daar naartoe. Weten jullie de weg?”
“Dan motte zo en zo rijeh,” zei mijn vriendje.
“Dank je wel, jongen!” zei de automobilist.
“Niks te dankeh, gif mar un tientje,” zijn mijn vriendje.

Een jaar of acht later moest hij naar de keuring voor militaire dienst. Ze vroegen hem bij welk onderdeel hij het liefst wilde worden ingedeeld.
“Bij de liggende vrèturs.”