zondag 9 augustus 2015

Kannie zonder Anny

Toch is het een toppertje van een roman hoor, La Nausée. Gisteravond het gesprek tussen Roquentin en Anny gelezen. Eindelijk na zoveel verstreken jaren bevindt hij zich weer in haar nabijheid: Anny zijn grote liefde en enige zielsverwant op deze eenzame, contingente aardkloot. Geil wijf. Beetje dik geworden, wat verlopen, volstrekt illusieloos. En een dame met gedachten. Dat van die situations privilégiées en die moments parfaits is coole shit. En dan blijkt ze de wereld, de verschijningsvormen ook nog net zo te zien als onze held Roquentin, nou ja à peu pres… But she has no further use for him, om het met Peter Hammill te zeggen, want ze heeft een jongere vent aan de haak geslagen, een knappe Egyptenaar met een kameelharen jas. Morgen reist ze met hem af naar Londen. Anny kust Roquentin nog een keer op de mond om de herinnering op te frissen, maar als hij haar in zijn armen nemen wil, schudt ze nee met het hoofd; ze gaat immers met de kameelharen jas naar Angleterre. “Je ne suis pas simplement accablé de la quitter; j’ai une peur affreuse de retrouver ma solitude. » Nou beste Antoine Roquentin, die angst is navoelbaar hoor, die Sartre heeft het puik voor het voetlicht gebracht. Het begin van het volgende hoofdstuk, pardon de volgende entry in Roquentins dagboek is zo mogelijk nog schrijnender en van een nooddruftige schoonheid. Al heel vroeg in de ochtend dwaalt hij door Parijs. Nog is zij niet vertrokken. “Je ne me sentais pas encore seul.” Maar als hij naar het station Saint Lazare gaat en haar ziet in gezelschap van haar Kameelharen jas en zij in de trein het raampje opendraait terwijl Kameelharen jas de trein weer verlaat om kranten te kopen en zij, Anny, hem, Antoine, ziet, en naar hem kijkt, zonder boosheid, uitdrukkingloos, lang maar uitdrukkingsloos, dan, ja wat dan, dan kun je wat clichés te voorschijn halen, dan sterft hij duizend doden of kan hij wel door de grond zakken of zo, hoe dan ook, Kameelharen jas komt terug de trein in met de kranten, trein vertrekt, Roquentin heeft nog een scherpe herinnering aan een Londons restaurant waar hij met Anny placht te lunchen, autrefois, et puis tout est claqué.

zondag 2 augustus 2015

Autodidact

Roquentin luncht met de Autodidact en maakt korte metten met hem. De Autodidact, een eenzame sukkelaar, die in de mensheid gelooft en het humanisme aanhangt, en Roquentin, de existentialist, zo cynisch als de neten. Dat kan niet goed gaan en gaat niet goed. De Autodidact is een onderkruiper, een kruiperig mannetje dat toch even met zijn tandjes blikkert als Roquentin zijn humanisme fileert. En Roquentin die spijt krijgt dat hij zijn afkeer van de humanisten op die naprater met de kleine hersentjes afreageert. En dan slaat ook de Walging nog toe. Hij weet zich geen raad meer met zichzelf en vlucht het restaurant uit en weet zich in de rug gezien door de andere bezoekers (die niet weten dat ze bestaan… Jij die dit leest, weet jij dat je bestaat? Ja, nu, nu ik je je erop attendeer – maar gewoonlijk, sta je er dan wel eens bij stil? Nee hè? Je bestaat gewoon…) “…ils croyaient que j’étais comme eux, que j’étais un homme et je les ai trompés. Tout d’un coup, j’ai perdu mon apparence d’homme et ils ont vue un crabe qui échappait en reculons de cette salle si humaine. » Meesterlijk hoor, en met een vleugje Lautréamont. Ja joh, en dan te bedenken dat dat zo’n beetje mijn eerste literaire boek was, dat ik las als tamelijk ongeschoolde twintigjarige. Wat wist ik weinig! Woorden als misantroop, egotist, autodidact, ik moest ze opzoeken… Maar ik was ontvankelijk! Ook toen al was ik een krab onder de mensen…

zaterdag 18 juli 2015

In de mist

La Nausée in een zin samengevat:
Antoine Roquentin beseft – of meent te beseffen – dat hij vrij is en daar krijgt hij de kriebels van.
Dat klinkt niet als een aanbeveling en dat komt omdat ik me meer sarcasme veroorloof dan gerechtvaardigd is, want La Nausée is wel degelijk een sublieme roman. Nu ook weer. Die ochtend in de mist, niet eens de mist – de overdrachtelijke mist – die door de mist wordt meegebracht; maar gewoon die ochtend in de mist. Het café met maar twee lampen aan. De vrouw met modder aan haar laarsjes. De ober met de croissants die hij doodleuk van de zojuist verlaten tafel pakt en aan Antoine Roquentin wil serveren, die ervoor bedankt. Het is van een hartverwarmende eenzaamheid, gek hè, maar ik lees en geniet. (Wel in het Frans want anders werkt het een stuk minder. De vertaling alleen voor erbij, voor als mijn begrip even tekortschiet.)
Ik wissel mijn Sartrelectuur trouwens af met een dikke bundel reisproza van Cees Nooteboom, voor de gelegenheid Labyrint Europa gedoopt. De eerste honderd pagina’s in een aanstekelijk jolige toon, daarna – en dan is Cees toch echt pas een klein jaartje ouder geworden – wordt de schriftuur serieuzer, met minder personificaties ook. On en reparle. Ik moet naar de plee. Doei!

maandag 13 juli 2015

ZKV

Er kwam een jongedame naar me toegelopen. Ik moet zeggen, ze mocht er zijn!
“Mag ik je iets vragen?” vroeg zij, en toen ik daar bevestigend op geantwoord had:
“Zou je je zaad in mijn poesje willen spuiten?”
Dat verzoek was niet aan dovemansoren gericht :).
Ze leunde tegen het muurtje en stak haar kontje naar achter. Ik tilde haar rokje op en zag dat zij geen slipje droeg: dat was nog es makkelijk!
Zo vlug als ik kon haalde ik mijn hard geworden genotsknots uit mijn broek en stak hem tussen haar sissend hete schaamlippen en –lipjes.
“Ahh..!” zei de jongedame; “ohh…!”zei ik.
Ik stootte een paar keer goed gericht en spoot toen mijn zaad in haar sloot.
Nadien hebben we samen een sigaretje gerookt.

zaterdag 11 juli 2015

C'est moi qui fends la nuit

Ik mag dan quasi laatdunkend doen over dat boek van Sartre, maar het is natuurlijk wel een bad motherfucker van een roman… Zo las ik vanavond Roquentins beschrijving van een zondag in Bouville – in een woord magnifiek. Alsof je zelf de eenzame observant bent, door zijn ogen de stad en de mensen ziet en zijn bespiegelingen deelt. Ik heb niet zo veel met die existentialistische filosofie omdat ie mijns inziens elk fundament mist – de mens is niet vrij- maar toch stoort het niet dat de roman toch ook tamelijk nadrukkelijk een romantische verbeelding van die filosofie is. Roquentin die weet dat het avontuur om de hoek van de straat wacht, maar om welke hoek en van welke straat? Il faut pourtant choisir: je sacrifie le passage Gillet, j’ignorerai toujours ce qu’il me réservait. Nou ja, dergelijke overpeinzingen zijn niet de meest boeiende ; de beschrijvingen van het gedrag van de bourgeoisie, de arbeiders en het klerkendom op een vrije zondag die zijn fijn. In de rij staan voor de zondagmiddagfilm. “Plus de cent personnes faisaient queue, le long du mur vert. Elles attendaient avidement l’heure des douces ténèbres, de la détente, de l’abandon, l’heure où l’écran, luisant comme un caillou, blanc sous les eaux, parlerait et rêverait pour elles. »

woensdag 8 juli 2015

Walging

Een eenzame zak met botten die richting de vijftig loopt. Ofte wel, waar blijft de tijd. Ik herlees La Nausée van Jean–Paul Sartre. (Toen ik op de lagere school zat, zat er een jongetje bij mij in de klas die Jean-Paul heette. Die is later met zijn ouders naar Amerika vertrokken. Anyway.) De eerste keer dat ik die beroemde roman van Sartre las - die toen nog Walging heette want ik was het Frans niet machtig - was eind jaren tachtig. Ik wist nauwelijks iets van literatuur, maar was zoekende. In een televisiegids (was het de Veronica gids of de VPRO gids? – dat ik die switch van televisiegids maakte was veelzeggend) las ik een interview met Frank Boeijen. (Ik vond Frank Boeijen een zelfingenomen pretentieuze kwallenbal van een zak patat, maar blijkbaar vond ik hem toch boeiend genoeg om een interview met hem te lezen.) Frank koketteerde in dat interview met De Walging, een roman van Sartre, die over eenzaamheid ging en zelfdestructie. Ik was al vegetariër, at gezond, rookte niet en ging drie keer in de week hardlopen: toch was het dat woord zelfdestructie dat mij richting boekhandel stuwde – als stuwde een niet te gezochte persoonsvorm is in dezen (ik kan ff niks beters bedenken) (of toch: duwde. Nevermind/peu importe). Zelfdestructie - en wellicht dat er in het interview ook nog gerept werd van introspectie. (Ik zoek naarstig naar een bres in de tijd, om te herbeleven hoe het was: een ongeschoolde, matig intelligente, zichzelf overschattende en tegelijkertijd beschroomde adolescent te zijn, die contact maakt met defaitistische literatuur door een introspectieve roman te lezen: maar ik heb geen tijd, bummer.) En trouwens, die Antoine Roquentin, met zijn existentiële eenzaamheid – als ie zin heeft in sexy time kan ie met de uitbaatster van Rendez-vous des Cheminots mee naar boven, zonder dat ie zelfs maar hoeft te betalen. En maar neerbuigend doen jegens die de Autodidact, alsof het een Untermensch is en meneer Roquentin met zijn interessante gedachten een Übermensch. Zou dat de eerste keer zijn geweest dat ik op dat woord stuitte, autodidact, toen dus, toen ik in 1988 voor het eerst De Walging las? Ik denk het. Maar ik dweepte met het boek. Vooral met die passage waarin Roquentin op een heuvel staat en neerkijkt op de mechanieke leventjes van het klootjesvolk. Het regende zo-even trouwens heel hard maar nu zingen de vogels weer.

woensdag 1 juli 2015

Met een lolbroek

De secretaresse is naar de wc. Ik neem de telefoon op. Iemand zegt: “Sorry hoor. Ik ben verkeerd verbonden.” “Dan moet u bij de dokter zijn,” antwoord ik, “en niet bij ons.”
Een collega komt een praatje maken. Hij zegt: “Vrijdag ga ik iets eerder naar huis. Ik heb een barbecue.” Waarop ik: “Ik ga vrijdag ook iets eerder naar huis. Ik heb een gasfornuis.”
Zo lachen we heel wat af.